Categorieën
kortverhaal

Een mooie jas

Frieda Steegmans zette haar fiets tegen een boom langs het jaagpad aan de Dijle. Ze nam de mand met een picknick en daalde de berm af, volgde een pad langs roodgekleurde veldesdoorns in de richting van het Mechels broek.  Vlakbij de bomput, had Jozef gezegd.  De wind raasde door de bomen in hun herfstjas.

Twee grote handen bedekten haar ogen.  Ze bleef stokstijf staan. Ze kon de handen niet van haar ogen halen want ze droeg de mand in beide handen.

‘Hee Jef, laat los, niet grappig.’

De handen lieten haar los.  Ze draaide zich om en keek in het gezicht van Jack.  Haar hart stond stil en ze kreeg een kleur.  Jack was de knappe Engelse soldaat die ze op een feest bij vrienden van haar ouders had leren kennen.  Ze hadden gedanst.  Vooral gedanst en veel naar elkaar gekeken.  De grauwe jaren van de oorlog waren voorbij.  Jozef was weer in het dorp.  Ongedeerd maar onherkenbaar voor haar.

‘Sorry I  did not want to scare you, I just wanted to see you one more time before I leave.’

Frieda keek naar de grond.  Ze maakte met haar schoen een putje in het zand.  Hij moest haar gevolgd zijn.  Ze had niks gemerkt.  Ze keek naar hem op.  Ze streek haar haren uit haar gezicht.

‘Jack’ zei ze, ‘I cannot do this.’

Jack  nam haar bleke gezicht in zijn handen en gaf haar een kus.  Hij rook naar scheerschuim en pas opgestoken sigaretten.  Hij drukte een brief in haar handen en liep het pad af.  Ze keek hem na.  Ze had achter hem aan willen lopen.  Wilde ze picknicken hier met Jozef bij die stomme bomput?  Ze had Jozef nog maar twee keer gezien sinds hij terug was.  Ze waren nooit alleen geweest.

Haar moeder had hem uitgenodigd voor de zondagse maaltijd.  Hij zat tegenover haar.  Af en toe glimlachte hij naar haar.  Haar vader en Jozef hadden het over de oorlog gehad.  Zij had in haar bord geroerd.  Had zich voorgesteld hoe het zou zijn als Jack er zou zitten.  Ze zocht naar het Engels voor erwten en wortels, kroketten en kalkoen.

Jack draaide zich om en riep ‘by the way, you look wonderful in that coat.’

Ze zwaaide terug.  Ze liet zich neerzakken aan de rand van de put.  Ze stak de brief in haar jaszak.  Tante Roza had  met de eerste mooie stof die er na de schaarste weer te vinden was een jas voor haar gemaakt.  ‘In deze jas, kind, ga je je ware Jacob weerzien’ had Roza gezegd.  Bijgelovige tante Roza geloofde in voortekenen.  Frieda had flauwtjes naar haar spiegelbeeld gelachen.  Maar dat had tante Roza niet gezien.  Ze was druk bezig met de lengte van de jas af te spelden.

De brief brandde in haar jaszak.  Ze durfde hem niet te lezen.  Ze moest het Jozef zeggen.  Ze zag hem aan komen lopen.  Misschien had hij Jack wel gekruist.  Jozef liep traag in de richting van de bomput.  Hij scheen geen haast te hebben.

‘Dag Frieda’ zei hij en liet zich naast haar zakken.

‘Dag Jef’ zei ze.

Frieda had vaak over dit moment gefantaseerd.  Ze keek naar hem.  Hij zag er zo lief uit. Zo kwetsbaar.

‘Frieda’, zei hij, ‘ik moet je wat zeggen.’

Hij schoof wat dichter naar haar toe en pakte haar hand.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.