Coup de foudre

Het gaat over weer tegenkomen, ook al heb je iemand nooit eerder gezien.  Twee geesten die elkaar eerst ontmoeten en hun lichamen die later zullen volgen.  Want dat zullen ze.

Mijn geest en zijn geest ontmoetten elkaar op een fuif.  Een discoparty met veel seventieskleuren.  In mijn haren was een sjaal geknoopt en ik droeg een afzichtelijke blouse met wijd uitwaaierende mouwen waarin mijn moeder in de bijpassende tijd allicht geschitterd had.

Verdorie, sta ik hier voor de liefde van mijn leven, in die stomme outfit.  ‘Ach wat’ zei mijn vriendin, ‘hij ziet er ook niet uit met zijn haar groen gespoten’.  Maar dat groene haar, dat zag ik niet.  Hij keek naar me en  lachte.  Herkenning.  Mijn benen voelde ik niet meer.  Hij wenkte me en zijn opener was kort, vurig, niks verhullend en zonder omwegen.  Zoals de liefde later tussen ons zou zijn.  ‘Ik wil je’ zei hij.

Over de grens

Saskia trekt het tafelkleed recht.  Ze laat haar hand glijden over het blauwe katoen.  Mijn handen beven, denkt ze, dat wil ik niet.  Ze loopt naar de gootsteen en opent de kraan.  Ze schrobt de kleine koffievlek weg.  Hij zal het zien en het zal hem ergeren.  De laatste keer, zegt ze hardop.  De koffievlek is groter geworden.  Ze smijt de vaatdoek op het aanrecht.  De donkere oktoberavond gluurt naar binnen.  Saskia trekt de gordijnen niet dicht.  Hij zal dat straks  moeten doen.  Tijd voor nieuwe handelingen, denkt ze.  Ze opent de barkast.  Zijn dure flessen whisky.  Ze giet zichzelf cognac in en ploft in de sofa.  Andere dagen rond dit uur roert ze in zijn lievelingssoep.  Ze ziet hem dan binnenkomen door de dansende dampwolken boven haar kookpotten.

Ze wriemelt aan haar uurwerk.  Halfnegen.  Weer laat.  Ze neemt nog een slok van haar cognac.  Het grint van de oprijlaan knispert.  Saskia veert overeind.  Ze strijkt de plooien van haar donkerblauwe jurk glad.  De jurk die ze altijd draagt als ze reist.  Haar handen beven niet meer.  Ze recht haar schouders.  Buiten waait het.  De takken van de oude notenboom tikken tegen het raam alsof ze haar een duwtje willen geven.  Ze pakt het handvat van de rode valies.  Met stevige tred loopt ze naar de voordeur.

 

Foto © Diane Appels

Over wie altijd te laat komt

Hier sta ik dan.  Achter een hoekje, in het gezellige ijssalon.  Ik loer meestal om het hoekje.  In de zomer als het terras buiten staat, dan lig ik op de loer.  Achter de haag.  Maar vandaag sta ik op wacht en kijk ik tussen de sanseveria’s naar de kleppende vrouwen.  Ze ziet me nog niet maar ik heb ze in de gaten.  Ze is zich niet van me bewust, ze voelt me nog niet.  Maar wacht, ik loop op de zaken vooruit.  Straks zal ik haar ontmoeten.  Ze zal tegen me aanlopen als ze haar jas aantrekt.  Ze zal het niet fijn vinden me tegen te komen maar ze had het kunnen verwachten.

Misschien zal ik haar overvallen net nadat ze de zaak hier verlaten heeft.  Ach, ik weet het niet.  Weet je, ik weet niet wanneer ik in iemands leven zal moeten opduiken.  Het zijn zij die een cruciale fout maken.

Ze zit daar.  Lange, bruine haren.  Bruine ogen.  Goed in vorm.  Geen grammetje teveel.  Misschien toch een andere overwegen? Alhoewel, die denkfout mag ik niet maken.  Straks krijg ik nog last van mijzelf.  Dun, dik.  Dat maakt niet uit.  Het gaat om de manier waarop ze met me omgaan.

Ze tuurt op de kaart.  Wat zal het worden?  Coupe Dame Blanche, coupe banaan advocaat of Brusselse wafel met veel slagroom?  Ik weet het nog niet.

Ach, misschien wordt het niks met die bruinharige dame.  Ze ziet er nogal zorgeloos uit.  Ik heb me al wel vaker vergist.  Maar in het ijssalon altijd prijs, ik ga zeker in gezelschap naar buiten.

Je merkt het, ik neem mijn werk heel serieus.  En ik ben nog maar een stagiair.  Dan mag je ervaring opdoen in ijssalonnetjes, de frituur, kledingwinkels.  Zo van die zaken waar mensen kleine fouten maken.  Missertjes.  Dat was een titel in de syllabus van de opleiding.  Grappig hé?

En me maar aan hun laars lappen of me negeren.  En dan maken ze weer dat foutje, zelfs nadat ze me al eens eerder zijn tegengekomen.  Terwijl ik juist moet verhinderen dat ze het weer zullen doen.  Maar die blijven gaan.  Blijven vreten of miskopen doen.  Maar het zijn kleine dingen.  Daarom is het ook een stage.  Korte ontmoetingen en zand erover.

Wacht es even, ja, ik vind het heel plezant om te babbelen met jou over wie ik ben.  Maar nu moet ik even luisteren want ze gaat bestellen.  Ja, ja, yes, joehoe! Coupe Brasilienne met veel slagroom!  Nu moet ik het kort maken want het kan zijn dat ik al na de eerste hap zal moeten toeslaan.

Ik neem de ijssalonnetjes voor mijn rekening.  Mijn collega’s die gaan voor het serieuzere werk.  Dat zijn al seniors, aanwezig vlak na scheldpartijen bij echtelijke ruzies, na dronken rijden of ze sluiten aan bij nabestaanden.  Ja, het kan cru klinken maar gedane zaken nemen geen keer en dan moeten wij opduiken.  Dikwijls niet gemakkelijk.  De enigen waar we niet bij kunnen binnendringen dat zijn de narcisten, neen, die kennen ons niet.  Maar ja, die voelen ons niet aan.  Die voelen eigenlijk niet veel.  Bekend met die groep?.  Neen, hou het zo.  Uit hun buurt blijven.  Dat is het beste wat je kan doen.  Maar moeilijk te herkennen, die narcisten.  Ja, we hebben dat allemaal gezien in onze opleiding.  Mensenkennis.

Je wou nog wat meer weten over die narcisten? Sorry maar ik moet je laten want ik heb de eerste tekenen gezien.  Ik zag een zucht en een rimpel op het voorhoofd.  Ah, duidelijk.  Ik word geroepen.  Het spijt me.  Maar nog één ding , denk goed na in het leven, maak geen ruzie en ga niet kwetsen, stap niet dronken in een auto, ga niet gokken of wedden.  Anderzijds ga voor die vrouw, die job, de natuur, dat ideaal.  Ga niet twijfelen, veroordelen of verloochenen.  Neem het van me aan.  Je komt ons dan gegarandeerd tegen en dan is het te laat.  Sorry, ik moet er nu echt vandoor, het spijt me, ik moet er vandoor, want ik kom altijd te laat.

The lady in red

Buiten was het licht gaan sneeuwen.  Het had al dagenlang gevroren.  Vanuit het raam van het ziekenhuis zag ze daken met dakgoten waaraan ijspegels met tenen stijf en wit van de decemberkou hingen te rillen.

Dokter Anne De Bruyn sloeg de eerste bladzijde om van het dikke dossier van haar nieuwe patiënte.  De therapiesessies waren afgelopen voor vandaag.  Ze had nog twee uur om zich in te werken want gauw zou ze Rosalie De Smedt behandelen.

Anne huiverde.  Ze had het koud en trok haar rode wollen jas steviger om zich heen.

Er werd op de deur geklopt.  Haar collega stak zin hoofd om de deur en vroeg of ze even tijd had.  Zonder haar antwoord af te wachten stapte hij binnen.

‘Ik heb de man van Rosalie De Smedt hier bij me’ zei hij en hij wees naar de gang.  ‘Hij wilde je graag even spreken.’

 

***

 

Ze had net Lien gebeld en gezegd dat ze geen lift wilde.  Ze zou het hele eind lopen naar het feest, wilde eerst nog een cadeau kopen en misschien bij Oma Koek nog even dag zeggen.  Lien had een niet begrijpend gezicht getrokken.  ‘Wie gaat er nu nog op pad voor een cadeau, de winkels gaan zo dicht en de ronde van de familie, dat doet iedereen toch morgen?’

Ze had Lien niet willen vertellen dat ze gewoon niet kon blijven stilzitten.  Ze had al tien keer in de spiegel gekeken, haar rode, fluwelen jurk al tien keer glad gestreken.  Haren vast, haren los, neen los.

‘Waar ga je zo vroeg heen?’ vroeg moeder toen ze haar gekleed in een lange wollen jas de keuken zag binnenkomen.  Ze veegde haar handen droog aan een keukenhanddoek.  ‘Ik dacht dat Lien je zou oppikken’.

‘Ik ga nog even langs Oma Koek omdat ik morgen wil uitslapen met Ward en haar liever nu dan al even gelukkig nieuwjaar ga wensen.  Morgen komt het er misschien niet van want morgenavond vier ik met jullie allemaal hier’.

‘Dat is lief van je’ zei haar moeder.  Ze liepen samen naar de hall .  Haar moeder nam haar in haar armen en drukte haar tegen zich aan.

‘Kleed je warm’ zei moeder ‘ik denk dat het gaat sneeuwen’.

Ze nam een muts en handschoenen uit de ladekast.

‘Ben je zeker dat je dat hele eind wil lopen?’ vroeg haar moeder net zoals Lien dat zopas had gedaan.  Maar het ongeloof klonk warmer, bezorgder.

‘Heel zeker’ zei ze, gaf haar moeder een kus, greep haar kleine koffer waarin haar dansschoenen, logeerspullen en een goede fles rode wijn voor Wards vader zaten.  Moeder stond op het bordes en zwaaide.  ‘Dag Roosje, tot morgen, wees voorzichtig’.

 

Ze ademde de koude winterlucht in.  Het maakte haar licht en nog gelukkiger.  Ze dacht aan haar moeder die naar binnen zou gaan en verder zou koken aan het feestmaal, daarna de logeerkamers in orde zou brengen voor oma en opa en oom Karel.  Ze dacht aan vader die zijn oudere gehandicapte broer ophaalde uit de instelling en hoe ze samen in de auto hard met de radio zouden meezingen.  Ze dacht aan haar grootouders die helemaal van aan zee in hun oude maar nog altijd glimmende dienstdoende autootje ook op weg waren.  Ze dacht aan het grote huis van Ward waar ze straks met hem zou dansen en zoenen.  Ze dacht aan het koetshuis dat tegen het grote huis was aangebouwd en ze dacht aan de moeder van Ward en hoe zij en Ward het koetshuis hadden versierd.  Het was enkele weken geleden.  Ze was binnengekomen langs de grote poort en had de twee in de weer gezien met guirlandes van echte dennentakken die ze rondom de naakte, witte zuilen in het koetshuis wikkelden.

‘Is het niet een klein bos in een huis, Roos?’ had ze gezegd toen ze binnenkwam.  Wards moeder was dol op feesten met veel eten en drinken en veel mensen en veel muziek.  Het moest veel zijn.  Ze was zelf ook veel.  Veel lange, donkere krullen, veel werk, veel energie, veel verhaal en verleden.

‘En dit jaar veel rood’ had ze gezegd.  De dames komen in het rood.  Ze dacht weer aan Lien die dure rode schoenen had gekocht.  ‘En zonder schuldgevoel!’ had ze aan de telefoon gezegd.  En ze dacht aan al hun andere goeie vrienden die straks door het kleine bos zouden binnenstappen op het grote feest.  De jonge vrouwen zouden elkaars inventiviteit complimenteren.

‘Waar heb je die rode handtas vandaan? Rood staat je eigenlijk goed.’

‘Vind je?’

‘Ja echt.’

‘Mooie boa’.

’Het is de oude boa van tante Germaine, hij ruikt nog naar de mottenballen.’

Ze dacht aan hoe thema’s voor een feestje wel goede ijsbrekers waren en hoe ze dit misschien kon verwerken in haar thesis over liefde in tijden van sociale media.  Ze dacht aan hoe goed de thesis vlotte en hoe ze uitkeek naar een eerste job als psychologe.  Ze dacht aan de grote inkomhall van het koetshuis waar zeker een tafel zou staan met daarnaast twee obers en de vader van Ward, en hoe deze laatste op haar zou komen toelopen en haar onbehouwen en oprecht een dikke knuffel zou geven terwijl één van de obers klaar zou staan met een glas champagne en de andere haar jas zou aannemen.

Ze dacht aan de burelen die speciaal voor vanavond zouden omgetoverd zijn in een heuse danszaal.

Ze dacht aan Ward die ze zou moeten zoeken in de buurt van de dj.  Hij was in zijn oude plaatjes gaan zoeken naar Chris De Burg.  ‘Gevonden!’ had hij haar die morgen per sms laten weten.  Ze dacht aan hoe hij haar ongegeneerd zou kussen in de grote inkomhall met de driemeter hoge kerstboom op de achtergrond, natuurlijk met rode ballen, met aan de ene kant de danszaal met lichtjes die over de houten vloer draaiden en aan de andere kant het kleine bos.

Ze was als een meisje onder een glazen stolp waar net mee geschud was en al deze glinsterende gedachten zweefden rondom haar.  Als splinters van geluk en liefde die voorbijkomen en waar je naar kan kijken, lang kijken en die je soms, heel soms, even aanraken.

 

Ze liep de Adventure Store binnen.  Ze liet haar blik glijden over de warme winter accessoires en reikte naar een donkergrijze sjaal met bijpassende handschoenen van Jack Wolfskin.  Ze kon er niet bij.  Achter haar klonk een schorre mannenstem.

‘Kan ik helpen?’

Ze draaide zich om en keek in een grauw gezicht.  De grijzende man was slordig gekleed.  Was het niet die man die in hun appartement boven Oma Koek woonde? Wat kwam die hier doen?

Hij stak zijn arm uit en nam de sjaal.

‘En ook de handschoenen maat large’ zei ze.

Hij nam een vieze leesbril uit het borstzakje van zijn vest.

‘Wat zei je, ik hoor niet goed!’ zei hij en hij lachte zijn grote tanden bloot en kwam heel dicht bij haar staan.

‘Dankjewel, dank je’ zei ze.  Ze wilde weg.

‘Kom je gauw nog eens langs bij de oude dame?’ vroeg hij.  ‘Ze is zo dikwijls alleen’.

‘Ja’ zei ze.  ‘Ik ga dit afrekenen, tot ziens’.  Ze draaide zich om en liep in de richting van de kassa.

 

Voor de winkel stond een jongen die met vier ballen jongleerde.  De draaiende cirkels van de gekleurde ballen brachten haar wat tot rust.  Vanuit haar ooghoek zag ze de grijze gestalte kleiner worden.  Ze wachtte tot hij de hoek om was.

 

***

 

De verwarming maakte tikkende geluiden.  Het was veel warmer in het bureau geworden.  Ward Voorten liet af en toe zijn hoofd rusten op zijn handen, streek dan door zijn krullende haar maar ging dan weer rechtop zitten.

‘Oma Koek was haar grootmoeder niet’ zei hij.  ‘Roos woonde met haar ouders in het appartement boven de oude vrouw.  Toen ze verhuisden werd het appartement verhuurd aan die schoft.  Roos ging na school dikwijls bij Oma Koek langs als haar ouders nog niet thuis waren.  Ze maakte dan haar huiswerk en at zelfgebakken koekjes.  Ze waren heel erg op elkaar gesteld.’

‘Oma Koek had nog op de knop van haar alarmpolsband kunnen duwen en zo de hulpdiensten verwittigd.  Anders had hij Roos ook nog vermoord’.

‘Ach’ zei hij en zuchtte diep.  ‘Het is de tijd van het jaar, dan is een opname hier onvermijdelijk.  ‘

Ward keek de dokter aan.

‘Wil u haar zeggen hoe graag ik haar thuis wil met Kerst?’.

Anne De Bruyn keek over het winterlandschap.  De sneeuw had de rode daken bedekt.  Het sneeuwde niet meer.