Schrijfcursus: intuïtief schrijven – najaar 2017

Schrijven is de ontsnappingsroute, de plek waar het altijd wat lichter is, het gat in de haag en zoveel meer.  Zo ervaart Kathleen Boogmans (Josien Kee) deze woordkunst.  Ze heeft nog maar een klein gezichtsvermogen.  De kracht waartoe schrijven leiden kan wil ze graag doorgeven aan andere mensen. Of hoe je door dichtbij je zwakte te gaan staan, die kan ombuigen tot iets sterks en unieks.

Dankzij schrijven kunnen we woorden geven aan ervaringen en fantasie, ons denken en willen, belevenissen en waarnemingen.  Elke cursist mag dit op zijn eigen manier doen.  Met een stukje poëzie, een column, een cursiefje of een sprookje. Maar ook een kortverhaal kan, of die ene brief schrijven, een originele kerstwens sturen of een boodschap in een fles de wereld in zenden ,..

Er zal niet louter theoretisch les gegeven worden. In elke workshop zal er met zintuiglijke prikkels gespeeld worden en zullen er creatieve technieken aan bod komen om jou aan het woord te laten.

 

Leven van A tot Z

Soms moeten we gaan

Voor wat met geen pen te beschrijven is

Het verleden dichten

De toekomst doen rijmen

Laat ons een onbeschreven blad nemen

Beginnen met een hoofdletter

Samen zinnen verzetten

En weer helemaal op verhaal komen

Vandaag woord houden

Kom, laten we gaan

 

Wie:               Kathleen Boogmans (www.josienkee.be)
Wanneer:      Maandag 6, 13, 20, 27 november en 4 december 2017, telkens van 13.30 tot 16 u.
Waar:             GC ’t Blikveld, Jacques Morrensplein 2, 2820 Bonheiden

 

 

€ 50

Max. 12 deelnemers

 

Inschrijven vanaf donderdag 22 juni 2017 om 8u30 via volgende kanalen:

 

Aan de balie van GC ‘t Blikveld

Losmaken

Zijn we er nu? Door het raam van de auto zie ik alleen boomtoppen en een streep knalblauwe lucht.  We rijden over een onverharde weg.  Af en toe tikken er takken tegen de auto.

Ja, zegt ma en ze kijkt achterom.  Naar mij op de achterbank.  Ik heb die helemaal ingenomen en mijn benen over de logeertas gelegd.  Ik ga overeind zitten. Ma zegt dat ik mijn haren uit mijn ogen moet doen en netjes dag moet zeggen.  Ik knik maar denk dat ik toch mijn zin zal doen de hele volgende week.  Van Suzanne, haar vriendin, mag toch alles.  In het chalet in Herselt mogen we op onze blote voeten lopen, ons wassen moet niet en eten moet alleen als je honger hebt. Dat heeft Jeremy, de oudste zoon van Suzanne, me verteld. Tanden poetsen moet wel had hij er nog vlug aan toegevoegd.

Ik stap uit de auto.  De geur van de dennenbossen.  Vrij.  Jeremy  komt op me toegelopen.  ‘Kom mee naar ons kamp, Liesje’, roept hij.  Ik kijk naar mijn moeder. Doe nog even alsof.  Ik strijk mijn haar uit mijn ogen, doe het achter mijn oor.  Ze staat daar met de geruite logeertas in haar handen.  Even voel ik een steek.  Ik zal haar toch ook een beetje missen.  Ik heb hier alleen nog maar gespeeld als het licht is.  Aan Jeremy en Michiel durf ik niet zeggen dat ik bang ben in het donker. Maar nu ben ik niet bang.  De zon maakt lichtvlekken tussen de dennenbomen.  Ik ga in galop.  Recht naar het kamp.

 

Foto © Diane Appels

Coup de foudre

Het gaat over weer tegenkomen, ook al heb je iemand nooit eerder gezien.  Twee geesten die elkaar eerst ontmoeten en hun lichamen die later zullen volgen.  Want dat zullen ze.

Mijn geest en zijn geest ontmoetten elkaar op een fuif.  Een discoparty met veel seventieskleuren.  In mijn haren was een sjaal geknoopt en ik droeg een afzichtelijke blouse met wijd uitwaaierende mouwen waarin mijn moeder in de bijpassende tijd allicht geschitterd had.

Verdorie, sta ik hier voor de liefde van mijn leven, in die stomme outfit.  ‘Ach wat’ zei mijn vriendin, ‘hij ziet er ook niet uit met zijn haar groen gespoten’.  Maar dat groene haar, dat zag ik niet.  Hij keek naar me en  lachte.  Herkenning.  Mijn benen voelde ik niet meer.  Hij wenkte me en zijn opener was kort, vurig, niks verhullend en zonder omwegen.  Zoals de liefde later tussen ons zou zijn.  ‘Ik wil je’ zei hij.

Over de grens

Saskia trekt het tafelkleed recht.  Ze laat haar hand glijden over het blauwe katoen.  Mijn handen beven, denkt ze, dat wil ik niet.  Ze loopt naar de gootsteen en opent de kraan.  Ze schrobt de kleine koffievlek weg.  Hij zal het zien en het zal hem ergeren.  De laatste keer, zegt ze hardop.  De koffievlek is groter geworden.  Ze smijt de vaatdoek op het aanrecht.  De donkere oktoberavond gluurt naar binnen.  Saskia trekt de gordijnen niet dicht.  Hij zal dat straks  moeten doen.  Tijd voor nieuwe handelingen, denkt ze.  Ze opent de barkast.  Zijn dure flessen whisky.  Ze giet zichzelf cognac in en ploft in de sofa.  Andere dagen rond dit uur roert ze in zijn lievelingssoep.  Ze ziet hem dan binnenkomen door de dansende dampwolken boven haar kookpotten.

Ze wriemelt aan haar uurwerk.  Halfnegen.  Weer laat.  Ze neemt nog een slok van haar cognac.  Het grint van de oprijlaan knispert.  Saskia veert overeind.  Ze strijkt de plooien van haar donkerblauwe jurk glad.  De jurk die ze altijd draagt als ze reist.  Haar handen beven niet meer.  Ze recht haar schouders.  Buiten waait het.  De takken van de oude notenboom tikken tegen het raam alsof ze haar een duwtje willen geven.  Ze pakt het handvat van de rode valies.  Met stevige tred loopt ze naar de voordeur.

 

Foto © Diane Appels

Over wie altijd te laat komt

Hier sta ik dan.  Achter een hoekje, in het gezellige ijssalon.  Ik loer meestal om het hoekje.  In de zomer als het terras buiten staat, dan lig ik op de loer.  Achter de haag.  Maar vandaag sta ik op wacht en kijk ik tussen de sanseveria’s naar de kleppende vrouwen.  Ze ziet me nog niet maar ik heb ze in de gaten.  Ze is zich niet van me bewust, ze voelt me nog niet.  Maar wacht, ik loop op de zaken vooruit.  Straks zal ik haar ontmoeten.  Ze zal tegen me aanlopen als ze haar jas aantrekt.  Ze zal het niet fijn vinden me tegen te komen maar ze had het kunnen verwachten.

Misschien zal ik haar overvallen net nadat ze de zaak hier verlaten heeft.  Ach, ik weet het niet.  Weet je, ik weet niet wanneer ik in iemands leven zal moeten opduiken.  Het zijn zij die een cruciale fout maken.

Ze zit daar.  Lange, bruine haren.  Bruine ogen.  Goed in vorm.  Geen grammetje teveel.  Misschien toch een andere overwegen? Alhoewel, die denkfout mag ik niet maken.  Straks krijg ik nog last van mijzelf.  Dun, dik.  Dat maakt niet uit.  Het gaat om de manier waarop ze met me omgaan.

Ze tuurt op de kaart.  Wat zal het worden?  Coupe Dame Blanche, coupe banaan advocaat of Brusselse wafel met veel slagroom?  Ik weet het nog niet.

Ach, misschien wordt het niks met die bruinharige dame.  Ze ziet er nogal zorgeloos uit.  Ik heb me al wel vaker vergist.  Maar in het ijssalon altijd prijs, ik ga zeker in gezelschap naar buiten.

Je merkt het, ik neem mijn werk heel serieus.  En ik ben nog maar een stagiair.  Dan mag je ervaring opdoen in ijssalonnetjes, de frituur, kledingwinkels.  Zo van die zaken waar mensen kleine fouten maken.  Missertjes.  Dat was een titel in de syllabus van de opleiding.  Grappig hé?

En me maar aan hun laars lappen of me negeren.  En dan maken ze weer dat foutje, zelfs nadat ze me al eens eerder zijn tegengekomen.  Terwijl ik juist moet verhinderen dat ze het weer zullen doen.  Maar die blijven gaan.  Blijven vreten of miskopen doen.  Maar het zijn kleine dingen.  Daarom is het ook een stage.  Korte ontmoetingen en zand erover.

Wacht es even, ja, ik vind het heel plezant om te babbelen met jou over wie ik ben.  Maar nu moet ik even luisteren want ze gaat bestellen.  Ja, ja, yes, joehoe! Coupe Brasilienne met veel slagroom!  Nu moet ik het kort maken want het kan zijn dat ik al na de eerste hap zal moeten toeslaan.

Ik neem de ijssalonnetjes voor mijn rekening.  Mijn collega’s die gaan voor het serieuzere werk.  Dat zijn al seniors, aanwezig vlak na scheldpartijen bij echtelijke ruzies, na dronken rijden of ze sluiten aan bij nabestaanden.  Ja, het kan cru klinken maar gedane zaken nemen geen keer en dan moeten wij opduiken.  Dikwijls niet gemakkelijk.  De enigen waar we niet bij kunnen binnendringen dat zijn de narcisten, neen, die kennen ons niet.  Maar ja, die voelen ons niet aan.  Die voelen eigenlijk niet veel.  Bekend met die groep?.  Neen, hou het zo.  Uit hun buurt blijven.  Dat is het beste wat je kan doen.  Maar moeilijk te herkennen, die narcisten.  Ja, we hebben dat allemaal gezien in onze opleiding.  Mensenkennis.

Je wou nog wat meer weten over die narcisten? Sorry maar ik moet je laten want ik heb de eerste tekenen gezien.  Ik zag een zucht en een rimpel op het voorhoofd.  Ah, duidelijk.  Ik word geroepen.  Het spijt me.  Maar nog één ding , denk goed na in het leven, maak geen ruzie en ga niet kwetsen, stap niet dronken in een auto, ga niet gokken of wedden.  Anderzijds ga voor die vrouw, die job, de natuur, dat ideaal.  Ga niet twijfelen, veroordelen of verloochenen.  Neem het van me aan.  Je komt ons dan gegarandeerd tegen en dan is het te laat.  Sorry, ik moet er nu echt vandoor, het spijt me, ik moet er vandoor, want ik kom altijd te laat.

The lady in red

Buiten was het licht gaan sneeuwen.  Het had al dagenlang gevroren.  Vanuit het raam van het ziekenhuis zag ze daken met dakgoten waaraan ijspegels met tenen stijf en wit van de decemberkou hingen te rillen.

Dokter Anne De Bruyn sloeg de eerste bladzijde om van het dikke dossier van haar nieuwe patiënte.  De therapiesessies waren afgelopen voor vandaag.  Ze had nog twee uur om zich in te werken want gauw zou ze Rosalie De Smedt behandelen.

Anne huiverde.  Ze had het koud en trok haar rode wollen jas steviger om zich heen.

Er werd op de deur geklopt.  Haar collega stak zin hoofd om de deur en vroeg of ze even tijd had.  Zonder haar antwoord af te wachten stapte hij binnen.

‘Ik heb de man van Rosalie De Smedt hier bij me’ zei hij en hij wees naar de gang.  ‘Hij wilde je graag even spreken.’

 

***

 

Ze had net Lien gebeld en gezegd dat ze geen lift wilde.  Ze zou het hele eind lopen naar het feest, wilde eerst nog een cadeau kopen en misschien bij Oma Koek nog even dag zeggen.  Lien had een niet begrijpend gezicht getrokken.  ‘Wie gaat er nu nog op pad voor een cadeau, de winkels gaan zo dicht en de ronde van de familie, dat doet iedereen toch morgen?’

Ze had Lien niet willen vertellen dat ze gewoon niet kon blijven stilzitten.  Ze had al tien keer in de spiegel gekeken, haar rode, fluwelen jurk al tien keer glad gestreken.  Haren vast, haren los, neen los.

‘Waar ga je zo vroeg heen?’ vroeg moeder toen ze haar gekleed in een lange wollen jas de keuken zag binnenkomen.  Ze veegde haar handen droog aan een keukenhanddoek.  ‘Ik dacht dat Lien je zou oppikken’.

‘Ik ga nog even langs Oma Koek omdat ik morgen wil uitslapen met Ward en haar liever nu dan al even gelukkig nieuwjaar ga wensen.  Morgen komt het er misschien niet van want morgenavond vier ik met jullie allemaal hier’.

‘Dat is lief van je’ zei haar moeder.  Ze liepen samen naar de hall .  Haar moeder nam haar in haar armen en drukte haar tegen zich aan.

‘Kleed je warm’ zei moeder ‘ik denk dat het gaat sneeuwen’.

Ze nam een muts en handschoenen uit de ladekast.

‘Ben je zeker dat je dat hele eind wil lopen?’ vroeg haar moeder net zoals Lien dat zopas had gedaan.  Maar het ongeloof klonk warmer, bezorgder.

‘Heel zeker’ zei ze, gaf haar moeder een kus, greep haar kleine koffer waarin haar dansschoenen, logeerspullen en een goede fles rode wijn voor Wards vader zaten.  Moeder stond op het bordes en zwaaide.  ‘Dag Roosje, tot morgen, wees voorzichtig’.

 

Ze ademde de koude winterlucht in.  Het maakte haar licht en nog gelukkiger.  Ze dacht aan haar moeder die naar binnen zou gaan en verder zou koken aan het feestmaal, daarna de logeerkamers in orde zou brengen voor oma en opa en oom Karel.  Ze dacht aan vader die zijn oudere gehandicapte broer ophaalde uit de instelling en hoe ze samen in de auto hard met de radio zouden meezingen.  Ze dacht aan haar grootouders die helemaal van aan zee in hun oude maar nog altijd glimmende dienstdoende autootje ook op weg waren.  Ze dacht aan het grote huis van Ward waar ze straks met hem zou dansen en zoenen.  Ze dacht aan het koetshuis dat tegen het grote huis was aangebouwd en ze dacht aan de moeder van Ward en hoe zij en Ward het koetshuis hadden versierd.  Het was enkele weken geleden.  Ze was binnengekomen langs de grote poort en had de twee in de weer gezien met guirlandes van echte dennentakken die ze rondom de naakte, witte zuilen in het koetshuis wikkelden.

‘Is het niet een klein bos in een huis, Roos?’ had ze gezegd toen ze binnenkwam.  Wards moeder was dol op feesten met veel eten en drinken en veel mensen en veel muziek.  Het moest veel zijn.  Ze was zelf ook veel.  Veel lange, donkere krullen, veel werk, veel energie, veel verhaal en verleden.

‘En dit jaar veel rood’ had ze gezegd.  De dames komen in het rood.  Ze dacht weer aan Lien die dure rode schoenen had gekocht.  ‘En zonder schuldgevoel!’ had ze aan de telefoon gezegd.  En ze dacht aan al hun andere goeie vrienden die straks door het kleine bos zouden binnenstappen op het grote feest.  De jonge vrouwen zouden elkaars inventiviteit complimenteren.

‘Waar heb je die rode handtas vandaan? Rood staat je eigenlijk goed.’

‘Vind je?’

‘Ja echt.’

‘Mooie boa’.

’Het is de oude boa van tante Germaine, hij ruikt nog naar de mottenballen.’

Ze dacht aan hoe thema’s voor een feestje wel goede ijsbrekers waren en hoe ze dit misschien kon verwerken in haar thesis over liefde in tijden van sociale media.  Ze dacht aan hoe goed de thesis vlotte en hoe ze uitkeek naar een eerste job als psychologe.  Ze dacht aan de grote inkomhall van het koetshuis waar zeker een tafel zou staan met daarnaast twee obers en de vader van Ward, en hoe deze laatste op haar zou komen toelopen en haar onbehouwen en oprecht een dikke knuffel zou geven terwijl één van de obers klaar zou staan met een glas champagne en de andere haar jas zou aannemen.

Ze dacht aan de burelen die speciaal voor vanavond zouden omgetoverd zijn in een heuse danszaal.

Ze dacht aan Ward die ze zou moeten zoeken in de buurt van de dj.  Hij was in zijn oude plaatjes gaan zoeken naar Chris De Burg.  ‘Gevonden!’ had hij haar die morgen per sms laten weten.  Ze dacht aan hoe hij haar ongegeneerd zou kussen in de grote inkomhall met de driemeter hoge kerstboom op de achtergrond, natuurlijk met rode ballen, met aan de ene kant de danszaal met lichtjes die over de houten vloer draaiden en aan de andere kant het kleine bos.

Ze was als een meisje onder een glazen stolp waar net mee geschud was en al deze glinsterende gedachten zweefden rondom haar.  Als splinters van geluk en liefde die voorbijkomen en waar je naar kan kijken, lang kijken en die je soms, heel soms, even aanraken.

 

Ze liep de Adventure Store binnen.  Ze liet haar blik glijden over de warme winter accessoires en reikte naar een donkergrijze sjaal met bijpassende handschoenen van Jack Wolfskin.  Ze kon er niet bij.  Achter haar klonk een schorre mannenstem.

‘Kan ik helpen?’

Ze draaide zich om en keek in een grauw gezicht.  De grijzende man was slordig gekleed.  Was het niet die man die in hun appartement boven Oma Koek woonde? Wat kwam die hier doen?

Hij stak zijn arm uit en nam de sjaal.

‘En ook de handschoenen maat large’ zei ze.

Hij nam een vieze leesbril uit het borstzakje van zijn vest.

‘Wat zei je, ik hoor niet goed!’ zei hij en hij lachte zijn grote tanden bloot en kwam heel dicht bij haar staan.

‘Dankjewel, dank je’ zei ze.  Ze wilde weg.

‘Kom je gauw nog eens langs bij de oude dame?’ vroeg hij.  ‘Ze is zo dikwijls alleen’.

‘Ja’ zei ze.  ‘Ik ga dit afrekenen, tot ziens’.  Ze draaide zich om en liep in de richting van de kassa.

 

Voor de winkel stond een jongen die met vier ballen jongleerde.  De draaiende cirkels van de gekleurde ballen brachten haar wat tot rust.  Vanuit haar ooghoek zag ze de grijze gestalte kleiner worden.  Ze wachtte tot hij de hoek om was.

 

***

 

De verwarming maakte tikkende geluiden.  Het was veel warmer in het bureau geworden.  Ward Voorten liet af en toe zijn hoofd rusten op zijn handen, streek dan door zijn krullende haar maar ging dan weer rechtop zitten.

‘Oma Koek was haar grootmoeder niet’ zei hij.  ‘Roos woonde met haar ouders in het appartement boven de oude vrouw.  Toen ze verhuisden werd het appartement verhuurd aan die schoft.  Roos ging na school dikwijls bij Oma Koek langs als haar ouders nog niet thuis waren.  Ze maakte dan haar huiswerk en at zelfgebakken koekjes.  Ze waren heel erg op elkaar gesteld.’

‘Oma Koek had nog op de knop van haar alarmpolsband kunnen duwen en zo de hulpdiensten verwittigd.  Anders had hij Roos ook nog vermoord’.

‘Ach’ zei hij en zuchtte diep.  ‘Het is de tijd van het jaar, dan is een opname hier onvermijdelijk.  ‘

Ward keek de dokter aan.

‘Wil u haar zeggen hoe graag ik haar thuis wil met Kerst?’.

Anne De Bruyn keek over het winterlandschap.  De sneeuw had de rode daken bedekt.  Het sneeuwde niet meer.

 

Nummer 214

Filip zit op de grond in het lege pand.  Hij heeft grote kartonnen dozen opengevouwen en in een hoek neergelegd.  Die plek dient al enkele weken als een popup vergaderruimte.

‘Dag Maarten’ zegt Filip.

Filip zit tegen de ruwe bakstenen muur.  Hij kijkt niet op.  Ik zie zijn lange donkere wimpers en de catalogus van Thonet op zijn schoot.  Hij gebaart dat ik naast hem moet komen zitten.

‘Hoi’ zeg ik, ‘sorry ik ben laat.’

Ik veeg wat stof weg op de plaats naast hem en ga zitten.  Ik haal de thermos met koffie uit mijn tas en twee mokken.  ‘Het is Lavazza’ zeg ik terwijl ik de koffie voor hem ingiet.  Ik krijg voor het eerst zijn ogen te zien.

Nooit eerder had ik een man gezien met die ogen. Ik had er na al die jaren ook nog geen gepast adjectief voor gevonden.  Filips ogen.  De blik van de jongen die ik al enkele maanden in mijn bed toeliet, kwam in de buurt.

‘De architect komt tegen tien uur’ zegt Filip.  Hij neemt de mok aan  en drinkt langzaam.  ‘Lekkere koffie.’

Ik neem het zakje met croissants.  Filip neemt een croissant en hapt erin.  Kruimels vallen op zijn zwarte wollen jas en grijze sjaal.  Ik heb de neiging ze eraf te vegen maar ik doe het niet.

‘Geef die architect geen carte blanche, we hebben hem uiteraard nodig omdat we structurele werken willen doen maar jij zegt wat waar komt.  Je doet je zegje over de verlichting  en de keuze van de materialen.  Jij weet wat jonge hippe mensen willen.  Het is dankzij jou dat de vorige bistro’s toppers zijn geworden.’

Ik moet even slikken.  Filip heeft nooit zo duidelijk zijn appreciatie getoond.  Wel met geld.  Ik laat de complimenten tot me doordringen, geniet ervan.  Ik zal hem niet teleurstellen.

Ik kijk naar de lijnen van het binnenvallende witte licht.  Bouwstof danst  in de winterzon.  Langs die muur moeten grote houten banken, bedenk ik.

Mijn mobiel rinkelt.  Ik zie dat het Dominique is.  Ik hoor een verhaal van deur dichtgetrokken en autosleutels laten liggen.  Ik antwoord dat ik niet kan komen.  Hij dringt nog even aan maar ik zeg dat het gewoon niet gaat.  Ik zucht en hang op.

‘Is er iets met je moeder?’  vraagt Filip  Hij kijkt me aan van onder zijn donkere krullen.  Wil ik meer dan bezorgdheid in zijn ogen zien?

‘Neen’ zeg ik, ‘niet mijn moeder.’

Filip bladert in de stoelencatalogus.  Ik sta op en loop door de ruimte. Een stuk karton dat in mijn weg ligt krijgt een trap.  Ik open een raam en snuif de koude lucht op.  Mijn adem maakt wolkjes in de lucht.  Ik tik een sms naar Dominique.  Er is een reservesleutel bij de buurvrouw. Meer tijd en aandacht wil ik er niet aan geven.

Ik loop weer naar onze vergaderplek.  In gedachten schik al weer stoelen en tafels.  Voorzichtig trek ik de catalogus uit Filips handen.

‘Wat denk je van nummer 214?’

Gitaartje

Zijn gitaartje was in herstelling.  Jean was in de war.  Normaal gezien speelde hij na het dagelijks portie porno kijken nog een beetje ukelele.  Kwestie van iets anders te beroeren dan zijn penis.  Nu zat hij een beetje verweesd op de bank te staren.  Zijn jonkheer lag slap tussen zijn benen.  Die kon een derde speeltijd niet meer aan.

Jean knipte het licht aan in de badkamer.  De badkamer zag er sober uit.  Er was niks vrouwelijks aan, buiten de sporadische roze bloemetjes die hier en daar op de witte tegeltjes geplakt waren.  Jean had ze laten hangen toen hij het appartementje huurde.  Verder lag er een stapel grijze handdoeken op een plank.  Het witte douchegordijn was aan vervanging toe.  Net als het badkamermatje.  Alles had zijn beste tijd gehad.

‘Jeanke’, zei hij tegen zichzelf, ‘bekijk u nog eens goed want zo gaat ge er binnenkort niet meer uitzien.’

Jean gaapte naar zijn spiegelbeeld van zijn badkamerkastje.  Hij was net uit de douche gestapt, nam zijn scheergerief en begon de witte zeep op zijn gezicht te smeren.  Om tien uur werd hij verwacht bij dokter Meertens, plastisch chirurg van UZ Antwerpen.  Jean hoopte dat hij de receptioniste die voor hem de afspraak gemaakt had nu ook te zien zou krijgen.  Ze had heel zwoel geklonken aan de telefoon en Jean had over haar gefantaseerd terwijl hij het met zichzelf deed.  Ze zou toch wel meer lelijke mensen gezien hebben in de wachtzaal van dokter Meertens.  Hij krabde de zeep met het scheermes van zijn wangen.  Eén wang was al blank.  Als ze hem zo zou zien zou ze niet weten wat hij bij dokter Meertens kwam doen.  Zijn ijsblauwe ogen volgden het scheermes.  Het scheermes dat nu met langzame halen het schuim op de andere wang wegwiste.  Zijn blik werd verdrietig en donker toen hij de bloedrode wijnvlek tevoorschijn zag komen.

‘Mijn lieve Jean’, had zijn moeder gezegd, ‘als die dokter Meertens maar niks aan je innerlijk verroert.’  Ze had hem omhelsd en tegen zich aangedrukt.  ‘Maar neen moederke’ had hij gezegd, ‘ik ga hem alleen ook eens laten kijken naar dat gat in mijn hand.  Dan kan hij daar ook ineens wat aan doen.’  Ze had zo lief naar hem gelachen en Jean had gehoopt dat hij ooit een vrouw zou vinden met de lach van zijn moeder.

Aan deze dingen dacht hij terwijl hij zijn gezicht droogdepte.  Zijn moeder kon gerust zijn.  Lachen en feesten zouden altijd zijn ding blijven. Hij was de Kerstman, Sinterklaas, prins Carnaval, de clown op verjaardagsfeestjes,…  Maar de schaamte en het verdriet als hij zijn masker moest afdoen, die wilde hij kwijt.

Een streep novemberlicht

‘Waarom trek je zo hard?’ klaagt ze.

Ze draait zich om  en zwaait  naar haar vriendinnetjes die een andere straat van de arbeiderswijk ingaan.  Ik hou de kleine mollige hand van mijn zusje stevig vast.  Ik wil zeggen dat moeke ongerust wordt als we treuzelen.  Maar mijn mond blijft een streep  en ik trek nog harder.

We staan  stil voor het raam van het kleine huis van mijn overgrootouders.  Moeke houdt de kanten gordijnen opzij.  We zien haar lichtblauwe meisjesogen in een gerimpeld rond gezicht omlijst met witte haren.  Ze draagt haar  schort met roze en witte ruitjes.  Straks kruip ik bij haar op schoot en steek mijn vinger door het ijzeren ringetje van de rits.  Ze zal me laten dansen op haar knie  en zingen van oepsafaldera en ik zal het zijn die het beu zal worden,  zij niet.

Ik hoor haar door de gang aan komen schuifelen.  ‘Kom binnen, mennekes’ zegt ze en ze pakt onze boekentassen en jassen aan.  ‘Ik ben gewonnen brood aan het bakken, in de winter  moet ge  kolen op jullie stoof doen, kom maar aan tafel.  Brengen jullie vake mee?’

We lopen naar vake die in de armstoel bij het raam zit.  ‘Hoe was het op school mennekes?’ vraagt hij en hij tast naar de asbak om zijn sigaret uit te duwen.  ‘Goed, vake, kom we gaan eten.’  Ik geef hem een hand en leid hem langs het salontafeltje met het door moeke gecrocheteerde kleedje.  Hij weet dat het smaller wordt wanneer ik trager stap.  Dan laat hij  zijn hand langs de donkere houten eettafel glijden en weet dat hij bij het eind twee stappen naar links moet doen om de keuken binnen te gaan.

Later zal ik dezelfde zoekende bewegingen maken als mijn vake omdat ik net als hij zal moeten leven met bijna blinde ogen.  Maar dat is pas jaren later.

Ik leg zijn hand op zijn stoel.  ‘Merci kind’ zegt hij zacht en zucht terwijl hij gaat zitten.  Hij vindt zijn koffiekop  – wit met blauwe bolletjes –  die hij steevast herkent aan het barstje dat erin zit.  De parkiet springt in zijn kooi heen weer, de koffiemachine pruttelt en blaast zijn adem uit.  Een streep novemberlicht valt op de kalender van Blindenzorg  Licht en Liefde.  Misschien krijgt vake op een dag ook wel zo’n mooie hond die hem helpt.

Moeke loopt in en uit de bijkeuken met  een nieuwe lading gewonnen brood.  Ik durf niet jammeren over het ontbreken van de kinnekessuiker omdat ik weet wat er dan komt.  ‘Het moest eens oorlog worden, ge zou niet klagen over het kleur van de suiker.’  Maar mijn zus doet het wel en ja hoor, de droevige  herinneringen van de oorlog zijn nooit ver weg voor oude mensen die er twee hebben meegemaakt.  Ondanks de witte suiker smaakt het brood alsof we het in volle oorlogstijd geserveerd krijgen.

‘We gaan seffens naar Erna’ kondigt moeke aan.  ‘Ah’ zegt vake, ‘dan krijgen ze pree.’

We helpen met afruimen en afwassen.  Ik sta op een stoel en buig me naar links om een tas van het aanrecht te pakken, draai ze rond in de handdoek,  buig me naar rechts en mik de propere vaat op de tafel.  Mijn zusje brengt vake terug en zet de T.V. voor hem aan.   Hij vist zijn portefeuille uit een spleet tussen de leuning en het kussen van zijn zetel en rommelt in de geldstukken.  Hij roept ons bij zich en geeft ons elk 20 frank.  ‘Dat is 10 frank voor de spaarpot en 10 frank voor snoep bij Erna.’  Ik spring van de stoel en steek mijn nog natte hand uit.  We lopen naar de schoorsteen waar onze spaarvarkens staan.  Ik  sta op mijn tippen en reik naar de  varkens.  Ik kan er net bij maar één van de varkentjes  glijdt uit mijn handen.  Het botst op de kachel en valt in stukken uit elkaar.  Het geld rolt naar alle kanten.  Ik barst in tranen uit. Moeke komt aangesneld uit de bijkeuken.  Ze sust en troost en controleert of ik me niet bezeerd heb.  ‘Och menneke spaar  die tranen voor later, dan zult ge ze nodig hebben.’  Ik bleer nog luider want ik wil mijn tranen niet sparen.  Dat zegt ze nu altijd.  Ook als we ons knie kapot zijn gevallen of ruzie hebben gemaakt met ons beste vriendinnetje.  Ze pakt een zakdoek en droogt mijn gezicht.  Ze houdt mijn zusje tegen die de geldstukken wil oprapen.  ‘Neen, dat is te gevaarlijk, ge gaat in uw polleke snijden, ons moeke gaat dat wel opruimen.’  Ze haalt stoffer en blik en veegt glas en geld bij elkaar.  ‘Het is al opgelost, ik zoek dat straks wel uit.’  Wij staan beteuterd toe te kijken.  Ze zoekt steun bij een stoel en krabbelt recht.  Het blik legt ze achter een schoolfoto van ons op de kast.  Zorgen voor later.  ‘Doe de jaskes maar aan en pak de rieten zakken want seffes is de winkel nog dicht, vader, hebt ge nog wat geld voor dat kind?’  Ze streelt over mijn haar en ik kan al terug lachen.

We lopen gearmd met ons drietjes naar Erna.  In de winkel is het druk.  ‘Dag Moeke Lies’ zegt Erna.  De dikke gezellige  Erna duwt ons een papieren puntzakje in de hand.  Mijn zus en ik verdwijnen tussen de rekken met zuurtjes, colaflesjes, rode draad,  toverbollen,  …  Moeke bestelt  de  lievelingschocolade van vake, kinnekessuiker en ook soepgroenten want op zaterdag maakt ze soep.

De hond weet precies waar het is.  Hij stopt en drukt zijn natte neus tegen mijn knie.  De strepen op de witte vlek zijn de namen op het graf van moeke en vake.  Eliza Ceuppens en Jan Vercammen.  Nooit heb ik twee mensen gekend die zo weinig hadden en zoveel hebben gegeven.  De donkere schaduwen rechts zijn de herfstbomen.  Blaadjes vallen en ritselen op de steen.  Ik hoor het haar haast zeggen.  Maar ik luister niet.  Het is later, ik heb goed gespaard en ik heb ze nu nodig.